staande schotten 90o gedraaid waardoor isoleerkamertjes ontstonden. Op de verloskundige afdeling kwam een kamer voor de behandeling van eclampsie patienten. Tenslotte werd in eigen beheer geschilderd.

De situatie was toen als volgt:
Het frontgebouw bevatte het centraal magazijn voor geneesmiddelen, het laboratorium en de apotheek. Het hoofdgebouw: interne, chirurgie en klasse en bevatte 22 zalen voor in totaal 221 patienten, 8 isoleerkamers en 10 isoleerkamers voor de eerste en tweede klasse. In afzonderlijke gebouwen waren ondergebracht de administratie, het laboratorium, de keuken, de wasserij en de Geneeskundige school, poliklinieken, personeelsverblijven en bibliotheek.
Over de brug was de afdeling voor besmettelijke ziekten.
Het terrein mat 316 bij 106 meter.

In 1873 was een verloskundige kliniek ingericht aan de Gravenstraat ter plaatse van de huidige Hendrikschool. Op 1 april 1887 werd deze afdeling overgebracht naar het Militair Hospitaal. Deze kraamzaal werd in 1913 verlaten. Een ruime zaal voor kraamvrouwen en zuigelingen werd ingericht met daarnaast een verloskamer met cementen vloer en volop licht.
In 1933 werd de verloskamer echter weer naar de oude plaats teruggebracht.

De waterleiding van het Militair Hospitaal stamt uit 1882. Aanvankelijk was men op regenwater aangewezen. Pas in 1907 werd een waterpomp aangeschaft, waardoor men de patienten ook in de droge tijd kon baden. Het regenwater werd opgeslagen in grote reservoirs. In 1906 werd er
n van 300 m3 gebouwd. In 1908 werd een reservoir boven de apotheek geplaatst. Naast het regenwater gebruikte men ook bronwater.
Op 5 september 1934 werd het hospitaal op de centrale waterleiding van Paramaribo aangesloten. Het grote reservoir van 300 m3 werd afgebroken.

In 1889 werd achter het hoofdgebouw (a/d Gravenstraat) een nieuwe vrouwenafdeling gebouwd. Deze afdeling werd in 1909 gesplitst.

Toen in 1903 de nieuwe keuken in gebruik genomen werd, werd de oude als typhusbarak ingericht. Deze keuken, die tot 1928 functioneerde, werd pas in 1927 van een gasfornuis voorzien, maar dat gebeurde pas nadat het oude, op hout gestookte fornuis was ingezakt. De nieuwe electrisch verlichte keuken kreeg in 1929 een koelkamer, waarin vlees, spijsresten, sera en vaccins bewaard werden. Verder werd deze koelkamer gebruikt als ijsreservoir. Een ijsbreekmachine werd aangeschaft en het ijs werd in ijswagentjes naar de afdelingen getransporteerd.

De wasserij kreeg in 1927 een electrische wasmachine met een capaciteit van 75 kg. Twee jaar later waren er twee wasmachines met een capaciteit van 35 kg. elk.
In 1930 werd deze afdeling verblijd met een centrifuge en een gasmangel. Het personeelsbestand kon door deze modernisering terug gebracht worden van 29 wasvrouwen en een opzichteres in 1913 tot 12 in 1924.

(Vervolg op pagina 6)

Pagina 5