|
vissen in de Suriname rivier, waarbij wij een joekel van een pireng vingen. De visvangst viel overigens bar tegen, zelfs in de door ons uitgezette netten vingen we niets, zodat we de meegebrachte blikjeswaren moesten aanspreken.
Dat zo'n onderzoekingstocht niet geheel zonder gevaren en ontberingen is, bleek de tweede nacht, toen een onzer het opeens erg koud kreeg en bibberend zijn tent inkroop. Wat was er gebeurd? We hadden de hele dag in de regen met natte kleren en schoenen door het bos gelopen en in de boot gezeten en nu vertoonde hij tekenen van onderkoeling. Kun je je dat voorstellen? In de tropen aan onderkoeling lijden? Neen hè. Gelukkig was het de volgende morgen zonnig weer en voelde hij zich weer een stuk beter. In het expeditie verslag van Pater Ahlbrinck beschrijft hij trouwens ook een soortgelijke ervaring.
Op 7 januari keerden we met vele nieuwe ervaringen en vondsten naar Paramaribo terug. Mijnsinziens een nuttige tocht, daar we nu met de daar verrichtte metingen de kaarten op een heel andere wijze konden bekijken.
Torarica gevonden?
Bekijken we de kaart van J.M. da Costa van 5 juli 1900, dan valt op dat er in de baai 2 paralel lopende kanalen en de Nachtekaalkreek uitmonden en het derde meest noordelijk liggend kanaal dat een geheel andere richting heeft, noordelijk in de baai uitmondt.
(Vervolg op pagina 23)
|
|