richtingen die we nu met het kompas vastsstelden exact klopten met de kaart.
Met behulp van een gids vonden we op de plantage Overbrug, nabij het kostgrondje van de heer Weekers ook een ijzeren paal, ongeveer 60 cm lang, die voor de helft de grond inging. Mogelijk een grenspaal van een landmeter(?), maar waarom van ijzer en niet van steen?
Niet ver van deze paal af kwamen we bij een geheel van bakstenen vervaardigde put, zo'n 5 meter diep met een binnendiameter van anderhalve meter en ongeveer 75 cm. boven de grond uitstekend. Hoewel het midden in de regentijd was en het grondwater dus erg hoog moest staan, was de waterspiegel bijna 4 meter onder maaiveld. Zou deze put in ondergrondse verbinding staan met een kanaal waardoor de waterstand ook onderhevig zou zijn aan eb en vloed? Het was toevallig ook bezig eb te worden. Met behulp van twee omgehakte boompjes en een touw om het middel daalde Jules, een van onze reisgenoten, in de put af. Vleermuizen vladderden om zijn hoofd heen, gifkikkertjes (Dendrobates Trivittatus) zaten tegen de wanden van de put en een wolk van muskieten zoemde om ons heen, waardoor we nauwelijks op één plaats konden blijven staan. Het water rijkte hem tot de heupen en met zijn blote voeten kon hij de bodem, die bedekt was met humus en takken, aftasten. Slechts enkele bakstenen bracht hij tevoorschijn. Hoewel we met een

De bakstenen put. Links probeert een van de
expeditieleden de muskieten van zich af te slaan.

rookvuurtje trachtten de muskieten van ons af te houden, werden we door steeds nieuwe

(Vervolg op pagina 21)

Pagina 20