|
horden aangevallen en waren we blij deze plek weer te kunnen verlaten zonder bloedarmoede opgelopen te hebben. We besloten het onderzoek van de put een andere maal uitgebreider voort te zetten en dan te proberen de put geheel leeg te scheppen.
Met de boot langs de baai varend vonden we de grote bakstenen bijna op elk droogliggend 'strandje'. Opmerkelijk was dat het aantal scherven zuidelijk varend leek af te nemen. De kleine bakstenen vonden we echter nergens anders.
We staken de rivier over en zuidelijk van de binnenbocht gingen we weer aan land omdat het verhaal de ronde deed dat daar 'kelders' te vinden zouden zijn.
Op het strand vonden we ook hier veel scherven van Maastrichts aardewerk en enkele metalen voorwerpen z.a. een ouderwets strijkijzer, hengsels, gespen en scherven van ijzeren potten.
Het bos inlopend kwamen we 4 graven tegen van de familie Foort. Duidelijk was op een van de graven te lezen dat de bewuste persoon in 1963 hier ter aarde was besteld. Om het eilandje, dat dicht tegen de linker oever van de rivier aanlag, heenvarend konden we vaststellen dat de begroeiing hier erg jong was en voor een groot gedeelte uit 'brantimakka' bestond. Dit eiland zal dus door landaanwas ontstaan zijn en niet, zoals we eerst dachten, door uitslijping van het vasteland gescheiden. Ook een belangrijke vondst, dacht ik.
Uit een gesprek met de oude Weekers bleek dat van de noordelijke punt van de baai in de afgelopen 40 jaar minstens zo'n veertig meter afgeslagen is, dus ongeveer een meter per jaar. Als je dit over driehonderd jaar bekijkt...
's Middags baden op de zandbank. Kun je je het gevoel voorstellen om midden in de machtige Surinamerivier op een zandbank te staan, die hier en daar zo'n twintig centimeter boven het water uitsteekt, en je hier heerlijk in de zon te scheren en de modder en de vuiligheid van het bos van je te kunnen afwassen? Het was goddelijk.
De eerste nacht in het oerwoud ging er een enorm tropisch onweer over ons heen, waarbij een dikke boom als een luciferhoutje afbrak en drie meter naast ons kamp neerstortte. Maar de tweede nacht konden we onder een pachtige sterrenhemel liggen
(Vervolg op pagina 22)
|
|