die van 1667 tot 1675 geen tractement ontvangen had vestigde zich als planter. Na veel gedelibereer ontving hij  uiteindelijk 600 ducaten voor 3 jaar arbeid met een verlies van 54 ducaten. De resterende 1000 ducaten bleven de Staten van Zeeland hem schuldig.
Wij komen Ds. Baseliers daarna tegen als een van de suikerheren, die slaven hebben te leveren voor publieke werken aan het fort en in 1685 wordt hij door Van Aerssen van Sommelsdijk benoemd als lid van de Raad van Politie. In het jaar tevoren, dus in 1684, had Baseliers ontslag gevraagd als predikant, ingaande het volgende jaar. Daar er geen vervanger voor hem was, ging Baseliers na zijn ontslag door met zijn werkzaamheden als predikant en bedankte hij als lid van het Hof. Zijn verontschuldigingen werden aanvaard, wat in die tijd als uitzonderlijk gezien moet worden.
Van Baseliers weten wij verder dat hij getrouwd was en enkele dochters had, die zich mondain wisten te kleden. Deze gegevens ontlenen wij aan een Labadisten-schrijver die de plantage van Baseliers bezocht en er kennis maakte met de vele vriendinnen der dochters die uit de stad te logeren waren.
Van de andere kant leren wij Baseliers ook kennen als een streng man die het placaat, waarin verstoring van de zondagse rust gestraft zou worden met een boete van 300 pond suiker per persoon, in een van zijn brieven aan de Classis, roemt. Baseliers overleed in 1689, 50 jaar oud. In 1690 roept de weduwe Baseliers schuldeisers op.
Frater Abraham á Westhuyzen, een van de eerste Hollandse bezoekers die de plaats zagen, was van mening dat Torarica zeker een toekomst kon hebben. Toen van Scherphuyzen in 1678 naar Zeeland ging bracht hij de wens der inwoners over: Het weder verleggen van de hoofdstad van Paramaribo (waar toen reeds het bestuur zetelde) naar Torarica.
Deze wijziging ging echter niet door: Paramaribo bleef de hoofdstad.
Hoewel er van de 7 Hollanders die in Torarica gewoond hebben er waarschijnlijk enkele door de Engelsen als krijgsgevangenen weggevoerd waren, nam na de herovering van de Kolonie door Crijnssen het aantal weer toe.
Volgens Mr. R. Bijlsma in 'Kartering W.I.G. Nov. 1920' was het aantal Israelieten in 1684 aan de Suriname rivier: 105 mannen en 58 vrouwen, waarvan de meeste al te Joden

(Vervolg op pagina 7))

Pagina 6